We waren met zijn drietjes, Christ, Kees en ik. Ik ben de
oudste. Kees is in 2012 op 60-jarige leeftijd overleden.
We zijn opgegroeid in een warm gezin. Mijn moeder was onderwijzeres
en mijn vader kapper. Hij had alleen de lagere school gevolgd, maar
had zich later behoorlijk bijgeschoold.
We leefden in West-Brabant in een kerkdorpje met ongeveer 500 bewoners.
Mijn moeder werkte de hele week en mijn vader was thuis in de
zaak: een kapperszaak met daarnaast een drogisterij,
kantoorboekhandel, tabakswinkel, winkelbibliotheek en nog allerlei andere dingen. Het
was een echte winkel van Sinkel.
Mijn vader was een doorzetter, zijn motto was dan ook: je moet
altijd volhouden en nooit opgeven! Hij wilde graag dat we alle drie een goede
opleiding zouden volgen, zoals mijn moeder dat had gedaan.
We hadden een fijne jeugd. We speelden met zin drietjes veel
buiten. We hadden een huis met een flinke lap grond en een
boomgaard. Mijn vader zorgde dat we
met allerlei materialen hutten konden bouwen of maakte speelgoed
voor ons zoals bijvoorbeeld houten stelten. Hij construeerde zelfs een stevige
schommel in de tuin. Mijn moeder stimuleerde ons bij allerlei activiteiten en was erg
geïnteresseerd in wat wij allemaal deden.
Christ was haar oogappeltje. Hij was vaak ondeugend en een beetje recalcitrant en dat botste wel
eens met mijn vader. Maar mijn moeder smolt helemaal weg als Christ
dan een grapje maakte of malle streken uithaalde.
We gingen sinds 1960 kamperen, wat toen nog niet zo gewoon was. We
hebben met het gezin veel reizen gemaakt naar Duitsland, Frankrijk,
Oostenrijk, Joegoslavië, Italië, Zwitserland, Denemarken en Noorwegen.
Daarnaast gingen we vaak naar onze grootouders in de grote stad
Antwerpen of we bleven daar in de schoolvakanties logeren. Soms namen
opa en oma ons mee naar de Ardennen of Luxemburg.
Op een goede dag was Christ verdwenen, hij kwam niet thuis na school.
De politie werd ingeschakeld. Christ was een jaar of 15.
Er was een aanwijzing dat hij zich mogelijkerwijs in Den Haag zou
bevinden. De volgende dag was het Prinsjesdag. Onze winkel was
altijd gesloten op dinsdag, dus dat kwam mooi uit. Mijn ouders
maakten zich gereed om in den Haag te gaan zoeken. De politie gaf
aan dat dit gekkenwerk was. Het zou heel druk zijn in den Haag en ze
zeiden tegen mijn ouders: "Jullie gaan zoeken naar een naald in
een hooiberg".
"Nou", zei mijn moeder, "toevallig kennen wij die naald wèl heel
erg goed en jullie niet".
Ze vertrokken volle goede moed en begaven zich tussen de mensen, die
op de route van de Gouden Koets stonden te wachten. Ineens zagen ze
hem staan, aan de overkant van de weg. Ze staken ongezien over en sloten hem met zijn tweeën van achteren in.
"Zo manneke", zei mijn moeder, "en nou meer naar huis komen!"
Ze gingen eerst zijn spulletjes ophalen in het hotel dat hij had
geboekt en namen hem weer mee terug naar huis.
Het avontuur had nog
geen twee dagen geduurd, maar kreeg nog een lang staartje.
Er werd een kostschool voor hem gezocht. Er waren niet veel scholen meer
te vinden, want het schooljaar was al een maand geleden begonnen. Er
was alleen nog plaats op een peperdure school voor rijkeluiszoons in
Eindhoven.
Van Christ begreep ik, dat de school niet echt een straf was. Hij
leerde o.a. hockeyen en heeft zijn hockeystick nog jaren bewaard.
Hij vertelde dat de jongens zowat alles deden wat God verboden
had. Ze gingen stiekem de stad in, dronken alcohol en af en toe
werden er zelfs meisjes binnen gesmokkeld.
Na een jaar vonden mijn ouders het duur genoeg geweest en mocht hij
weer naar huis. Er werd een MULO in Halsteren gevonden. Hij had elke
klas twee maal gedaan, maar het laatste examenjaar deed hij in één keer
en hij had niet eens slechte cijfers. Na de MULO ging hij naar de
HAVO "De Vossenberg" in Oudenbosch.
Tijdens zijn MULO-jaren, na het avontuur in den Haag, was hij een
ijdel meneertje geworden. Hij liep soms keurig in een pak en zijn
haren waren netjes geknipt. Weliswaar door mijn vader, maar er mocht
geen haartje verkeerd zitten.
Hij zat op dansles (stijldansen) en was erg goed. Zo goed, dat hij
meedeed aan landelijke danswedstrijden. Dat deed hij niet
onverdienstelijk en hij won zelfs prijzen.
Vreemd genoeg hield het winnen ineens op. Christ liet namelijk zijn
haar groeien en dat werd in de danswereld niet geapprecieerd. De
dansleraar vroeg hem de keuze te maken: winnen met kort haar of
vertrekken met lang haar. De keuze was voor Christ eenvoudig en hij
vertrok.
We zitten nu halverwege de jaren 60. Zijn muzikale smaak begon zich
te ontwikkelen en die varieerde van de Stones, bluesmuziek en soul
tot undergroundmuziek. Zijn haar werd steeds langer, net als dat van
mijn broer Kees. Dit natuurlijk tot ongenoegen van mijn vader. Mijn
moeder wilde echter graag weten wat de jongeren van deze tijd
allemaal bezig hield en vond het allemaal reuze interessant.
Maatschappelijk was er van alles aan de hand. De mensen begonnen
in te zien dat het niet goed ging met het milieu en dat
grootschalige landbouw en vervuilende industrie niet langer
normaal kon zijn. Het rapport van de Club van Rome kwam uit (1972).
Christ en Kees hadden dit alle twee gelezen en samen kwamen ze, met
anderen, in actie tegen de aanleg van een rondweg door een mooi
gebied in ons dorp en het naburig stadje.
Ze waren op allerlei manieren bezig met de natuur en het milieu en
ze fotografeerden veel. Kees spitste zich vooral toe op het maken
van natuurfoto's en -dia's. Christ fotografeerde
mensen en ontwikkelde zelf zijn zwart-wit foto's en drukte deze in allerlei formaten af.
Hij had van zijn kamer een donkere kamer gemaakt.
Ik weet niet hoe hij het voor elkaar kreeg, maar hij stond op
het podium bij een optreden van Rory Callagher, volgens mij in de
Ahoy en hij had toestemming foto's te maken.
Ik moet heel eerlijk bekennen dat ik in deze periode Christ zijn
eerst jointje heb aangeboden en dat beviel hem erg goed.
Op een gegeven moment moest Christ in dienst. Zijn inmiddels erg lange haar moest worden geknipt. Hoewel mijn vader het niet echt eens was met Christ zijn haardracht vond hij het toch wel heel erg sneu voor hem. Hij bood hem aan om zijn haar dan maar netjes te knippen. Het was netjes, maar niet kort genoeg voor het leger, daar werd zijn kapsel echt gekortwiekt.
De legerdiscipline sloeg niet aan bij Christ. Als er bij het
marcheren "links" werd geroepen, ging hij naar rechts. Wellicht
hadden de joints, die hij rookte daar iets mee te maken. Hij
vertelde me, dat er dat wel heel erg veel waren, om het daar vol te
houden.
Mijn ouders werden uitgenodigd om met een legerpsycholoog over
Christ te praten. Want er moest toch ergens een psychische oorzaak
zijn, waarom hij niet functioneerde zoals de anderen. Ze vroegen honderduit en
probeerden diepere oorzaken te vinden. De vragen werden mijn vader
veel te intiem en privé en hij liep boos het gesprek uit. Mijn
moeder verontschuldigde zich en volgde hem.
De zaak was kristalhelder met zulke ouders. Christ kreeg S5.
Hierna heeft Christ nog een poosje thuis gewoond. Hij had overal
wiet gezaaid o.a. in grote potten op het brede balkon, dat over de
hele achterkant van het huis liep.
Hij was in beeld gekomen bij de politie en deze deed een inval in
het woonwinkelhuis van mijn ouders. Ze wezen op de planten in de
potten.
"Och", zei mijn vader, "dat is onkruid. Het schiet over al op,
ook in de tuin".
Helaas vond de politie nog andere zaken en Christ kreeg een
voorwaardelijke straf opgelegd.
In 1975 overleed mijn moeder, ze was nog vrij jong en het was
voor ons allemaal een hele schok.
Christ woonde inmiddels in Bergen op Zoom en hij had een vriendin. Ze was gescheiden en had twee zoontjes, waar
Christ dol op was. Ze vertrokken samen naar Amsterdam, waar ze in
het kraakpand "Kloof 84" gingen wonen. Hij had een baantje bij
Manna, een winkel met macrobiotisch voedsel.
Manna betaalde slecht en veelal in natura (voedsel). Er was geen
geld voor zorgverzekeringen. Een van de kinderen had een gebroken
arm en moest naar de dokter. De oprichter van Manna meende dat een
breuk te genezen was met een kompres. Dus Christ zijn vriendin ging
ook werken om geld binnen te brengen voor de basisbehoeften. Christ zorgde voor de
kinderen, wat hij heel graag deed.
Uiteindelijk vertrok Christ bij Manna en ging werken in een
tehuis voor geestelijk gehandicapten en startte hiervoor met de
verpleegopleiding. Hij was daar helemaal op zijn plek en had het erg naar
zijn zin. Helaas verliet hij deze werkgever na een
arbeidsconflict over de wijze waarop met de gehandicapten werd
omgegaan.
De relatie met zijn vriendin liep uiteindelijk stuk en zijn ex-vriendin ging met
haar kinderen ergens anders wonen. Daar heeft Christ nog lang
verdriet om gehad.
In 1997 overleed mijn vader. Hij liet ons drieën het huis en de
zaak na.
Christ vond dat we de hele erfenis maar weg moesten geven.
Dat was natuurlijk niet zonder meer mogelijk.
We hielden een
uitverkoop, want de mensen in het dorp wilden graag nog één keer
naar de winkel. Dat waren twee emotionele dagen voor veel
dorpsbewoners en er vloeiden heel wat afscheidstraantjes.
Daarna
hebben we veel spullen weggegeven. Alles ging naar goede doelen, de
medicijnen gingen bijvoorbeeld naar de "Witte Jas", waar gratis medische hulp aan ongedocumenteerden wordt gegeven.
Zo hadden we overal wel gegadigden voor. (Zie:
uitverkoop het verhaal met foto's)
Het huis moest leeg opgeleverd worden voor de verkoop, dus een groot
gedeelte van de rommel van zolder, de inboedel van het huis en de
troep in de drie schuren verdween
in containers of ging naar kringloopwinkels. Daarna kon het worden verkocht en de opbrengst in
drieën worden verdeeld.
Christ heeft zijn gedeelte van het geld weggegeven aan mensen, waarvan hij meende
dat ze het beter konden gebruiken dan hijzelf. Hij kwam hierdoor in
de problemen, omdat hij een uitkering had. Hij moest de overheid het
ten onrechte verkregen uitkeringsgeld terugbetalen. Om de schulden
te kunnen afbetalen had hij twee banen, een bij de veiling en een
bij Post-NL. Hij draaide veel nachtdiensten.
Christ heeft alles bij elkaar in zijn leven heel veel verschillende
banen gehad. Hij heeft o.a. als schoonmaker bij Shell-Moerdijk gewerkt. Christ en Suzanne
hebben vaak gedacht dat daar misschien de kiem voor zijn COPD is gelegd.
Na de dood van mijn vader en de verkoop van het huis heb ik hem een
aantal jaren niet meer gezien of gesproken. Toen een oom van ons overleed gingen
we samen naar de crematie. Hij vertelde me dat hij heel verliefd was en
dat zijn meisje Suzanne heette.
Nu neemt Suzanne het van me over . . .